...

Ouder observationeel epidemiologisch onderzoek, uitgevoerd bij populaties met een hoge vetaanvoer, hebben een positief verband aangetoond tussen het verbruik van verzadigde vetzuren (VVZ) en een verhoogd coronair risico, terwijl een voeding die arm is aan VVZ en rijk aan EOVZ (enkelvoudig onverzadigde vetzuren) en MOVZ (meervoudig onverzadigde vetzuren) in verband werd gebracht met een lagere coronaire mortaliteit. Andere studies wezen op een verhoogd risico op hart- en vaatziekten bij gering verbruik van MOVZ. Recentere studies - waaronder de bekende studie die Amerikaanse verpleegsters gedurende 14 jaar heeft gevolgd - tonen echter geen verband tussen de aanvoer aan verzadigde vetzuren en het risico op aantasting van de kransslagaders. Enige verwarring Deze ogenschijnlijke tegenstrijdigheid zou toe te schrijven kunnen zijn aan het feit dat er geen rekening werd gehouden met bepaalde gegevens, zoals bijvoorbeeld de verschillende niveaus in de aanvoer van VVZ of andere factoren die een invloed kunnen hebben (alcoholverbruik, tabagisme, wel of geen lichaamsbeweging,...). In 2010 toonde een meta-analyse geen enkel verband tussen de aanvoer van VVZ en het risico op hart- en vaatziekten. Een andere studie wees zelfs op een omgekeerd verband tussen het verbruik van zuivelproducten en het risico op aantasting van hart- en bloedvaten en kransslagaders... Dit alles doet toch enkele vragen rijzen over de verzadigde vetzuren. Vanzelfsprekend is verder onderzoek nodig. Er werd nog geen enkele studie uitgevoerd waarbij specifiek de VVZ werden onderzocht, zonder dat de aanvoer van de overige vetzuren varieerde. Een betere kennis van de VVZ De vetzuren (VZ) zijn de belangrijkste bestanddelen van de lipiden, die worden onderverdeeld in verschillende soorten: Waar komen de VVZ vandaan? De VVZ hebben twee oorsprongen: ze worden enerzijds gesynthetiseerd door het lichaam en anderzijds aangevoerd via de voeding. Bij de mens gebeurt de synthese ter hoogte van de lever, de hersenen en het vetweefsel. Palmitinezuur (C16) wordt in de grootste hoeveelheden gesynthetiseerd: vanaf suikers, zetmeel en alcohol. De VVZ met een langere keten worden aangemaakt door verlenging van dit vetzuur in de weefsels. Zo kan palmitinezuur bijvoorbeeld verlengd worden tot stearinezuur (C18). VVZ met een korte keten kunnen enkel specifiek worden aangemaakt door melk producerende borstklieren. Voor het overige worden VVZ in ruime mate aangevoerd door de voeding, met dierlijke vetten als voornaamste bron. Verschillende bestemmingen De VVZ vormen geen homogeen geheel, aangezien zij een verschillende oorsprong, metabolisatie en functie kunnen hebben, die overigens zeer positief kunnen zijn voor het organisme. Het kortste VVZ is boterzuur (C4), dat door de celdood van meerdere soorten tumorcellen te stimuleren, een beschermende invloed uitoefent tegen de ontwikkeling van colorectale kanker. Nieuwe voedingsaanbevelingen Het aanbevolen percentage lipiden in de totale energieaanvoer (TEA) houdt onvermijdelijk verband met het percentage suikers en eiwitten. In de voedingscontext van de westerse landen betekent een daling beneden de 30 procent van de TEA een onvoldoende aanvoer van meervoudig onverzadigde vetzuren (MOVZ). Op het vlak van de volksgezondheid wijzen de beschikbare cijfers uit dat de totale energieaanvoer is en niet het vetgehalte in de voeding, die verantwoordelijk is voor het risico op ziekten die ons momenteel erg bezighouden zoals het metaboolsyndroom, diabetes, obesitas, hart- en vaatziekten, kanker... De vetten verlagen tot minder dan 35 procent ten voordele van de suikers biedt geen enkel voordeel en met wat we op dit moment weten, wordt op een TEA van 2000 kcal, een totale vetaanvoer van 35 tot 40 procent aanbevolen met een maximum van 12 procent VVZ, waarvan maximaal 8 procent VVZ met een lange keten.