...

Is het FAGG de voorbije 15 jaar geëvolueerd tegenover zijn belangrijkste 'klanten': apothekers en artsen, vindt u? Ik ben ervan overtuigd dat we voor beide beroepsgroepen een meerwaarde bieden. Voor de apothekers is het agentschap gegroeid uit een algemene directie belast met de inspectie van geneesmiddelen. Bij de oprichting van het agentschap werden alle levensfasen van het geneesmiddel meegenomen: niet alleen de inspectie, maar ook onderzoek en ontwikkeling, bewaking, vigilantie, enz. De dienstverlening naar de apothekers is niet zo opvallend verbeterd, gezien de talrijke interacties die we met hen al altijd gehad hebben. We moeten evenwel onze band met het farmaceutische en medische korps blijven uitbouwen. We informeren hen al 50 jaar dank zij het BCFI (het Belgisch Centrum voor Farmacotherapeutische Informatie), dat qua onafhankelijkheid een onberispelijke reputatie geniet. Bij de 50ste verjaardag van het BCFI heb ik nogmaals benadrukt dat geneesmiddeleninformatie toegankelijk moet zijn voor alle mogelijke doelgroepen, en dus in die zin moet aangepast worden. Je brengt niet dezelfde boodschap aan een apotheker, een arts, een industrieel of een burger. Ik zou een tevreden man zijn mochten burgers op zoek naar informatie over geneesmiddelen spontaan naar onze site surfen. Het agentschap heeft een grotere visibiliteit, maar dat doel hebben we nog niet bereikt. Daarnaast centraliseert onze nieuwe database over geneesmiddelen alle mogelijke info: bijsluiters, SKP's, RMA, DHPC,... En dankzij FarmaStatus weet iedereen of een geneesmiddel beschikbaar is. We hebben dus grote stappen voorwaarts gezet. In het verleden kende het medisch korps het agentschap niet. Dat is fel veranderd. Onder andere door toedoen van de opeenvolgende crises waarbij we de artsen veel informatie hebben verstrekt, en zij ons ook op de hoogte hielden over de situatie op het terrein en over hun noden. We zijn altijd erg transparant geweest. Die inspanningen hebben onze notoriëteit versterkt. Verder ben ik een groot voorstander van informele platformen waar over alles kan worden gepraat en overlegd. Die hebben we opgericht voor zo goed als alle zorgverstrekkers en onze stakeholders, maar nog niet voor de artsen, omdat het moeilijker ligt om voor alle thema's deskundige vertegenwoordigers te vinden. Toch is het agentschap daarin geïnteresseerd. Twee of drie jaar geleden hebben we zo'n platform opgericht voor de patiënten. Het spreekt daarnaast voor zich dat we meerdere medische experts in uiteenlopende disciplines betrekken bij onze opdrachten, met name onze deelname aan de wetenschappelijke comités van het EMA of in bepaalde werkgroepen en interne commissies van het FAGG. Is de publiek-private cofinanciering van het agentschap uniek in ons land? Ja, dat is een zeer innoverend mechanisme. Het heeft ons veel energie gekost bij de conceptie, maar nu biedt het ons de kans om, als er een gemeenschappelijk belang is, nieuwe projecten te ontwikkelen. Wat veel ingewikkelder is voor een administratie met een klassiek financieringsmodel dat afhangt van het politieke spel in onze democratie. Ons financieringssysteem is een mooie opportuniteit, in het belang van iedereen, en uiteindelijk in dat van de patiënt. Tegelijk waken we erover dat belangenconflicten vermeden worden, uiteraard. Het werkingsbudget van het FAGG bedraagt 104 miljoen euro. Welk deel daarvan neemt de industrie voor haar rekening? De bijdrage van de industrie en de stakeholders in het algemeen varieert van jaar tot jaar, tussen 75 en 80% van het globale budget. Het zou interessant zijn om een democratisch debat te hebben over het aandeel dat de overheid bereid is te betalen via haar dotatie voor de werking van het agentschap en over de manier waarop men de betalende diensten definieert. Bijvoorbeeld: moet informatie over geneesmiddelen gefinancierd worden door de overheid of door de industrie? En wie betaalt voor de bewaking van de activiteiten gelinkt aan menselijk lichaamsmateriaal? Dat zijn politieke keuzes die gemaakt zijn en bij elke specifieke situatie is een consensus gevonden. België is een hotspot voor klinische studies. Uw agentschap begeleidt er een groot aantal. Is dat niet opmerkelijk voor zo'n klein land? Dat klopt. Sommige ministers in de opeenvolgende regeringen bestempelen België als 'Farmaland'. Klinische studies geven patiënten gecontroleerd toegang tot welbepaalde innoverende geneesmiddelen. Landen waar geen klinische studies worden gevoerd, moeten wachten tot de geneesmiddelen op de markt komen. Klinische studies uitvoeren vergt aanzienlijke inspanningen van landen zoals het onze, want de bevolking is beperkt en je moet een zekere kritische massa halen. We verstrekken ook heel wat advies over klinische studies. Voor de industrie die nieuwe producten ontwikkelt, is het zeer belangrijk dat de gemaakte keuzes pertinent zijn, zeker gezien de race tegen de klok in deze uiterst concurrentiële sector. Bedrijven kunnen, onder zeer strikte vertrouwelijkheid, een wetenschappelijk advies vragen van de agentschappen, op Europees of op nationaal niveau. We hebben overigens binnen het FAGG het 'Innovation Office' opgericht. Dat systeem levert enorm veel tijdswinst op - en tijd is geld. We staan in de top 3 qua aantal en kwaliteit van onze adviezen. Onze investering in die domeinen trekt onderzoek aan, met een snellere en gecontroleerde toegang tot innovatie als gevolg. U staat al 15 jaar aan het hoofd van het FAGG. Net zoals voordien Jo De Cock (Riziv) en Chris De Coster (FOD Volksgezondheid) belichaamt u uw administratie en garandeert u de continuïteit ervan. Wat zijn in uw ogen de grote uitdagingen die het FAGG nog te wachten staat en die uw opvolger zal moeten aanpakken? Meerdere uitdagingen zijn niet nieuw, maar kunnen niet langer worden genegeerd. Zo zijn er bijvoorbeeld de onbeschikbaarheden, een heus probleem op het vlak van de volksgezondheid. Iedereen werkt eraan. België staat in dit opzicht verder dan veel lidstaten, aangezien wij al jaren procedures opzetten met de betrokken partners om proactief de beste beschikbaarheid te garanderen. In de afgelopen maanden zijn bijvoorbeeld een aantal wettelijke besluiten genomen om de invoer nog gemakkelijker te maken. Bovenal zullen wij een systeem ontwikkelen om de voorraden op te volgen. Er moet ook rekening worden gehouden met parallelle invoer. Dit debat is niet gemakkelijk, maar er is nu een echt bewustzijn op Europees niveau. Een andere uitdaging is het bevorderen van innovatie voor 'unmet needs'. De industrie is, om soms zeer objectieve redenen, van mening dat zij geen nicheprodukten kan ontwikkelen. Het is bekend dat de ontwikkeling van geneesmiddelen voor zeldzame ziekten veel geld kost zonder garantie op winst. Oplossingen vinden valt buiten de rol van het agentschap; dat is eerder de verantwoordelijkheid van het Riziv, maar we moeten de politieke moed hebben om dit op Europees niveau te bespreken. Er is ook de kwestie van de algemene financiering van geneesmiddelen. Een deel van de minder noodzakelijke financiering zou kunnen worden gebruikt voor behandelingen van zeldzame ziekten. Vergeet niet dat wij denken in termen van snelle toegang tot innovatie, terwijl onze collega's van het Riziv zoeken naar oplossingen voor financiële toegankelijkheid. Dat is logisch. Vandaag kunnen we gelukkig veel sneller een dialoog voeren tussen experts van verschillende administraties en we zijn alemaal vragende partij voor een zo Europees mogelijk HTA-beleid. Derde uitdaging: we hebben betere regelgeving voor medische hulpmiddelen nodig. Moeten we een Europees agentschap voor medische hulpmiddelen oprichten? Dat is geen prioriteit, maar de eisen met betrekking tot de garanties inzake kwaliteit, veiligheid en doeltreffendheid van de producten kunnen verbeterd worden.