...

De Apotheker: Als het FANC in het nieuws komt, gaat het meestal over de veiligheid van kerncentrales. Wat doet het FANC juist? Marleen Vandecapelle: De missie van het FANC luidt: "de bevolking, de werknemers en het leefmilieu beschermen tegen de risico's van ioniserende straling". Dat omvat veel meer dan alleen de kerncentrales. Specifiek voor de medische sector gaat het daarenboven om patiënten die bij een onderzoek of bij therapie blootgesteld worden aan ioniserende straling. Onze taak is ervoor te zorgen dat dat op de juiste manier gebeurt, en om redenen die het mogelijke nadeel van de blootstelling aan die ioniserende straling rechtvaardigen. We doen dat door daarvoor regels op te stellen, de nodige vergunningen af te leveren aan instanties en personen die betrokken zijn bij medische stralingstoepassingen, en door erkenningen af te leveren aan personen die controles op het terrein uitvoeren. Hoe bent u bij het FANC terechtgekomen? Ik heb lang getwijfeld tussen scheikunde of farmacie. Ik heb uiteindelijk voor scheikunde gekozen, omdat ik niet in een officina wou terechtkomen. Mijn interesse lag wel al bij de gezondheidssector; mijn thesis ging over PET-scans. Daarna heb ik aan de Universiteit Gent nog de opleiding 'biomedische en klinische ingenieurstechnieken' gevolgd, die ingenieurs en mensen met een wetenschappelijk diploma voorbereidt op toepassingsgebieden in de geneeskunde. Daar heb ik mijn thesis in de radiofarmacie gemaakt, en daarna kreeg ik het voorstel om een doctoraat in de radiofarmacie te maken. Eenmaal gedoctoreerd bleek het moeilijk om in België aan onderzoek te blijven doen. Maar net toen kwam er een vacature bij het FANC die me echt op het lijf geschreven was. Ik zag dat meteen zitten. Als je voor een overheid gaat werken, mag je niet vies zijn van wat administratie, maar ik kende mezelf goed genoeg. De rest is geschiedenis: 17 jaar later zit ik hier nog steeds, en met veel plezier. Wat is de rol van het FANC in de medische sector? We zijn actief op drie domeinen. Iedereen kent wel de radiotherapie, waarbij ioniserende straling gebruikt wordt om kankercellen te vernietigen. Het tweede domein is de radiologie, waarbij röntgenstralen gebruikt worden om diagnoses te stellen of operaties te begeleiden. Het minst gekende is nucleaire geneeskunde, waarbij de patiënt een radioactieve stof toegediend krijgt. Van elk van die stoffen weten we dat ze door een specifiek orgaan of functie in het lichaam wordt opgenomen. De ioniserende straling die dat orgaan hierdoor uitzendt, wordt dan door een camera omgevormd tot een beeld dat gebruikt wordt om een diagnose te stellen. Daarnaast zijn er ook radioactieve stoffen die toegediend worden voor therapeutisch gebruik: door de selectieve opname stralen zij zeer lokaal weefsel kapot. Voor al die domeinen is het FANC bevoegd, en twee diensten zijn daarbij betrokken. De dienst Medische Inrichtingen waakt over de stralingsbescherming van mensen die in de medische sector werken en van het leefmilieu. De radioactieve stoffen die gebruikt worden moeten immers zorgvuldig behandeld worden, ze mogen bijvoorbeeld niet zomaar doorgespoeld worden. De dienst waar ik werk, focust dan weer op de stralingsbescherming van de patiënt. Wat houdt dat juist in? We waken er in de eerste plaats over dat de voordelen voor de patiënt opwegen tegen de mogelijke nadelen van blootstelling aan ioniserende straling. Als de blootstelling gerechtvaardigd is, waken we erover dat die onder optimale omstandigheden gebeurt, bijvoorbeeld dat er geen te hoge dosis gebruikt wordt. Als je met de helft van de radioactiviteit tot hetzelfde resultaat kan komen, ben je moreel en wettelijk verplicht de lagere hoeveelheid te gebruiken. Verder waken we erover dat de patiënt en diens omgeving goed geïnformeerd worden. We controleren of de artsen-nuclearisten de juiste opleiding kregen en voldoende permanente vorming volgen. Ook het toestellenpark en de radiofarmaca moeten aan allerlei kwaliteitscriteria voldoen. Worden de juiste stoffen gebruikt? Voldoen ze aan de regels voor kwaliteitscontrole en kwaliteitsgarantie? Het uitgangspunt is altijd dat een patiënt met een zo beperkt mogelijke blootstelling aan ioniserende straling zeker moet kunnen zijn van een optimaal resultaat. We controleren ook ter plaatse; we voeren inspecties uit om na te gaan of de regelgeving goed gevolgd wordt. Zo'n inspectie is voor ons ook het moment om feedback te krijgen op de regels. Je moet je een controle niet voorstellen als louter strenge inspecteurs die komen nakijken of alle regeltjes wel gevolgd worden. Het is dikwijls ook: hoe kunnen we tot een aanvaardbare oplossing komen die in overeenstemming met de reglementering is, en ook werkt voor het ziekenhuis in kwestie? Twee jaar geleden hebben we trouwens onze volledige regelgeving herschreven, zodat ze veel duidelijker is en minder ruimte voor interpretatie laat. Hoe ziet uw werkweek er concreet uit? Werken voor de overheid roept soms het verouderde beeld op van een kantoorjob waarbij je de hele dag stempels zet. Bij mijn job hoort inderdaad een deel administratie, maar het is ook vergaderen, overleggen en adviezen uitwisselen met heel veel stakeholders. Zo is er voor artsen-nuclearisten een vergunningensysteem waarbij een medische jury advies geeft. Voor radiofarmacie is er een aparte erkenningscommissie. De kwaliteitscontrole op toestellen gebeurt dan weer in overleg met de medisch stralingsfysici die ervoor verantwoordelijk zijn. We hebben daarvoor een permanente werkgroep die om de drie maanden vergadert. Per type toestel is er in nauw overleg met die werkgroep een protocol opgesteld. Bij nucleaire geneeskunde zendt de patiënt bij het verlaten van het ziekenhuis nog in meerdere of mindere mate ioniserende straling uit, afhankelijk van de radioactieve stof die hij toegediend kreeg voor therapie of onderzoek. Daarom is het belangrijk om de patiënt en diens omgeving correct te informeren over eventueel te nemen voorzorgsmaatregelen. Daarvoor baseren we ons op adviezen van de Hoge Gezondheidsraad. Als dat niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat het een nieuw type therapie is, dan gaan we in over-leg met de sector, met de artsen-nuclearisten en de medisch stralingsfysici om te kijken wat in de patiëntenbrochures moet staan. We werken ook veel samen met het FAGG. De radioactieve stoffen die gebruikt worden in de nucleaire geneeskunde vallen ook onder de regelgeving voor geneesmiddelen en moeten dus ook door het FAGG goedgekeurd worden. Ook klinische studies die in België georganiseerd worden, moeten door het FAGG goedgekeurd worden. Ook met de FOD Volksgezondheid hebben we regelmatig overleg; met de regelmaat van de klok komt er nieuwe regelgeving waarover zij ons advies vragen. En omgekeerd: als wij iets nieuws plannen, vragen wij het advies van de FOD. Dan is er nog het overleg met de onderwijsinstellingen die de artsen-nuclearisten, stralingsfysici en radiofarmaceuten opleiden... Er zijn zoveel partners waarmee we rekening moeten houden, waardoor overleg een heel stuk van onze tijd neemt. En eenmaal een beslissing genomen, moet die dan weer gecommuniceerd worden naar al die verschillende partijen. Wat vindt u het interessantste aan uw job? Ik vind vooral de verscheidenheid boeiend. De vele contacten met de sector en met de andere overheidsinstellingen houden het uitdagend. Wanneer je in gesprek gaat met stakeholders, moet je stevig in je schoenen staan en voldoende kennis van zaken hebben om bepaalde technische discussies te kunnen voeren. Met de stralingsfysici gaat dat bijvoorbeeld over toestelinstellingen en met de artsen-nuclearisten over de medische aspecten. Dat maakt het enorm interessant, al is het ook heel uitdagend om het allemaal bij te houden. Je moet ook op de hoogte blijven van wijzigingen in de regelgeving bij andere overheidsdiensten. Als bijvoorbeeld het geneesmiddelenagentschap iets verandert aan de reglementering over ziekenhuisapotheken, heeft dat ook gevolgen voor de diensten nucleaire geneeskunde waar de radiofarmaca bereid worden. Saai is het nooit! De beeldvorming over de nucleaire sector is niet altijd positief. Merkt u daar iets van als het gaat over medische toepassingen? Veel mensen zijn bang van ioniserende straling, en die angst is soms terecht. Maar ik denk dat mensen wel voldoende vertrouwen hebben in artsen, en het onderscheid kunnen maken tussen straling in het algemeen en medische toepassingen. Als een arts beslist om een radiologisch onderzoek uit te laten voeren of om radiotherapie op te starten, gelooft de patiënt wel dat die beslissing verantwoord is. Het FANC vergunt de artsen trouwens om in eer en geweten de correcte beslissing te nemen. Dankzij de nodige voorzorgsmaatregelen zijn de medische toepassingen van ioniserende straling veilig. Daarover waken is de taak van het FANC, in dialoog met de sector. De algemene trend is er een van samenwerking, en ik denk dat het de goede kant uitgaat.